VAKnieuws

De draagkracht moet verdeeld worden over alle kinderen waarvoor de onderhoudsplichtige een onderhoudsverplichting heeft

Nr: 26044 Hoge Raad der Nederlanden, 17-04-2026 ECLI:NL:HR:2026:664 Jurisprudentie Geschilbeslechting Alimentatie 1:392 BW; 1:397 BW

Rechtsvraag

Hoe moet de rechter om gaan met een gebrek aan gegevens bij samengestelde gezinnen?

Overweging

Bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige ouder moet rekening worden gehouden met onderhoudsverplichtingen jegens andere kinderen. Wanneer een onderhoudsplichtige ouder onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, moet het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte.

Als de rechter niet de beschikking krijgt over de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de behoefte van de kinderen uit de andere relatie en de draagkracht van de andere ouder van die kinderen (hierna: de andere ouder), moet hij die behoefte en draagkracht zoveel als mogelijk schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens. Het staat hem daarbij, gelet op de art. 21 en 22 Rv, vrij rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Als de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat de andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van de kinderen uit die andere relatie.

De rechter moet zijn oordeel over (de hoogte van) de kinderbijdrage zodanig motiveren dat het voldoende inzicht geeft in de gedachtegang die daaraan ten grondslag ligt, teneinde dat oordeel voor zowel partijen als derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

Lees verder
 

Grenzen van de rechtsstrijd en partiële vernietiging

Nr: 26043 Hoge Raad der Nederlanden, 17-04-2026 ECLI:NL:HR:2026:681 Jurisprudentie Geschilbeslechting Huwelijksvermogensrecht 1:88 BW; 1:89 lid 1 BW; 3:41 BW; 25 Rv

Rechtsvraag

Heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd overschreden door de overeenkomst slechts partieel te vernietigen?

Overweging

De man is DGA van een B.V. Hij heeft in het kader van een geschil met een handelspartner de  bedrijfspanden verkocht aan de handelspartner en een hypotheek gevestigd op de echtelijke woning, met recht van terugkoop. De vrouw heeft vervolgens de conceptovereenkomst gevonden met daarop haar naam en handtekening. Zij heeft de gesloten overeenkomst op grond van artikel 1:88 BW en 1:89 lid 1 BW vernietigd omdat zij daar niet bij betrokken is geweest en zij haar handtekening niet heeft gezet.

De handelspartner heeft vervolgens nakoming van de overeenkomst gevorderd, met veroordeling van de man, de vrouw en de B.V. tot levering van de verkochte percelen. De man en de vrouw hebben zich beroepen op de vernietiging van de overeenkomst. Het hof heeft geoordeeld dat de overeenkomst enkel partieel is vernietigd, namelijk voor zover het ziet op de echtelijke woning, omdat artikel 1:89 BW enkel de echtelijke woning beschermt maar niet de bedrijfspanden. Volgens de man en de vrouw behoren de bedrijfsmatig gebruikte percelen ook tot de echtelijke woning. In cassatie stellen de man en de vrouw dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

De Hoge Raad oordeelt dat de overeenkomst vernietigd is voor zover het ziet op de echtelijke woning. Voor de bedrijfsmatig gebruikte delen van de percelen blijft de overeenkomst wél in stand op grond van  artikel 3:41 BW . Volgens de Hoge Raad is er geen onverbrekelijk verband tussen het privégedeelte (de woning) en de zakelijke delen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door een overeenkomst partieel te vernietigen, aangezien het hof op grond van artikel 25 Rv rechtsgronden mag aanvullen en artikel 3:41 BW toepassing vereiste. Het hof mocht zelfstandig beoordelen of de transactie uit scheidbare onderdelen bestond, omdat dit debat feitelijk al tussen partijen was gevoerd en de man en de vrouw zelfs subsidaire vorderingen hadden gedaan die zagen op partiële vernietiging.

Lees verder

Al onze cursussen

Centrum Permanente Educatie biedt hoogwaardige juridische cursussen, afgestemd op de praktijk en verzorgd met enthousiasme en expertise.

Bekijken
 

Kinderbijslag

Nr: 26046 Rechtbank Overijssel, 13-04-2026 ECLI:NL:RBOVE:2026:2127 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 1:253a BW

Rechtsvraag

Wie van de ouders mag de hoofdaanvrager zijn voor de kinderbijslag en kindgebondenbudget ?

Overweging

De rechtbank bepaalt dat de vader voortaan de hoofdaanvrager is voor de kinderbijslag en het kindgebonden budget. De rechtbank neemt deze beslissing op grond van artikel 1:253a BW en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. De rechtbank staat bij het nemen van die beslissing ook stil bij de regelgeving rondom het aanvragen van kindgebondenbudget en kinderbijslag.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Bruidsgave naar Iraans recht

Nr: 26045 Conclusie AG, 10-04-2026 ECLI:NL:PHR:2026:382 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht
Echtscheiding
IPR
10:6 BW

Rechtsvraag

Levert de verplichting van de vrouw om afstand te doen van haar bruidsgave bij een khul echtscheiding (art. 1146 Iraans BW) strijd op met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW)?

Overweging

De A-G concludeert dat artikel 1146 Iraans BW niet strijdig is met de Nederlandse openbare orde, omdat het enkele feit dat de vrouw een financieel nadeel kan ondervinden als zij de echtscheiding verzoekt geen strijd met de openbare orde oplevert. De A-G benoemt dat het inherent is aan een echtscheiding, dat deze financiële consequenties kan hebben voor de ex-echtgenoten.

Lees verder
 

Geen recht op omgang ondanks 'family life' vanwege verstoorde verstandhouding

Nr: 26048 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-04-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:2116 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Gezag en omgang 1:377a BW

Rechtsvraag

Heeft de ex-partner recht op omgang met de minderjarige?

Overweging

Tussen de ex-partner en de minderjarige van drie jaar oud, is al twee jaar geen contact geweest. De ex-partner is niet de biologische ouder van de minderjarige. De ex-partner heeft de minderjarige wel erkend, maar deze erkenning is door de rechtbank vernietigd. Niet in geschil is dat de ex-partner 'familiy life' met de minderjarige heeft gehad. Gelet op de zeer verstoorde verstandhouding tussen de moeder en de ex-partneracht het hof omgang tussen de ex-partner en de minderjarige in strijd met de zwaarwegende belangen van het kind. Het hof laat meewegen dat  er sinds de minderjarige één jaar oud was geen contact is geweest en dat de ex-partner geen biologische en geen juridische band (meer) heeft met de minderjarige.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

GI moet veiligheid moeder en kinderen beter in acht nemen

Nr: 26047 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-04-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:2117 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht Verdrag van Istanbul

Rechtsvraag

Is de GI gehouden de veiligheid van de moeder en de kinderen beter te waarborgen?

Overweging

Primair heeft de moeder opheffing van de ondertoezichtstelling verzocht. Dit wordt afgewezen omdat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Subsidiair heeft de moeder vervanging van de GI verzocht. Dit is in eerste aanleg afgewezen. In hoger beroep is de vrouw niet-ontvankelijk omdat tegen een dergelijke beslissing geen hoger beroep open staat (enkel cassatie in het belang der wet). Het hof geeft de moeder (of de GI zelf) dringend in overweging de kinderrechter in de procedure omtrent de verlening van de ondertoezichtstelling (opnieuw) te verzoeken de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Het hof overweegt daarbij dat de GI onvoldoende oog heeft voor en onvoldoende gevolgen verbindt aan de door de vader veroorzaakte onveiligheid voor de moeder en de kinderen, en dat als de GI haar aanpak niet verandert, de aanpak van de GI de ernstige ontwikkelingsbedreiging in stand houdt.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

X-registratie

Nr: 26039 Rechtbank Noord-Nederland, 03-04-2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:1086 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Algemeen

Rechtsvraag

Moet de ambtenaar aan de geboorteakte een latere vermelding toevoegen  van de wijziging van het geslacht van betrokkene in die zin dat het geslacht "X" zal zijn?

Overweging

De rechtbank oordeelt dat de ambtenaar de X-registratie moet toevoegen aan de geboorteakte. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van een mogelijkheid tot genderneutrale registratie op zichzelf geen rechtstekort oplevert maar dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat dit niet uitsluit dat in een concreet geval er zodanige feiten en omstandigheden kunnen zijn waardoor er toch sprake is van een rechtstekort wanneer genderneutrale registratie niet mogelijk wordt gemaakt. De rechtbank oordeelt dat de belanghebbende een gerechtvaardigde verwachting heeft gehad dat een X-registratie mogelijk is. Dit heeft de belanghebbende onderbouwd met feiten en omstandigheden die in hun onderlinge verband en samenhang beschouwd, duidelijk maken dat het niet waarmaken van de gerechtvaardigde verwachting dat genderneutrale registratie mogelijk zou zijn, voor betrokkene leidt tot meer dan slechts persoonlijk ongemak. Het veroorzaakt voor betrokkene een structurele en in het licht van de in artikel 8 EVRM beschermde rechten, ontoelaatbare ongelijkheid ten opzichte van anderen die met succes een soortgelijk verzoek hebben ingediend.

Cursussen binnenkort:

Lees verder
 

Vervangende toestemming aanvragen paspoort

Nr: 26040 Rechtbank Noord-Nederland, 01-04-2026 ECLI:NL:RBNNE:2026:1082 Jurisprudentie Geschilbeslechting Gezag en omgang 34 Paspoortwet

Rechtsvraag

Is de vader bevoegd om vervangende toestemming te verzoeken voor het aanvragen van een paspoort voor het kind?

Overweging

De rechtbank kan niet vaststellen of de vader ouderlijk gezag heeft over het kind. De vader is met het kind naar Nederland gekomen. Volgens de vader woont de moeder nog in Iran, maar is zij onbereikbaar waardoor zij geen toestemming kan geven voor het aanvragen van een paspoort. Zoals de rechtbank het Iraanse recht beoordeelt, komt de rechtbank tot de conclusie dat naar Iraans recht alleen de moeder ouderlijk gezag heeft over het kind. De rechtbank gaat hier aan voorbij omdat op grond van artikel 3  van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bij het nemen van de beslissing de belangen van het kind een overweging van eerste orde moeten zijn. Het kind heeft er belang bij dat zij een paspoort en/of ID-bewijs krijgt, zodat zij zich kan legitimeren in de Nederlandse samenleving.

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Geen belang bij rechtmatigheidstoets

Nr: 26041 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31-03-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:1951 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Jeugdrecht 1:255 BW; 1:260 BW

Rechtsvraag

Moet het hof toetsen of de ondertoezichtstelling terecht niet is verleend voor de resterende duur?

Overweging

Het hof acht de moeder ontvankelijk in haar verzoek, maar stelt vast dat de moeder geen belang heeft bij toewijzing van het verzoek. De termijn van een eventuele verlening van de ondertoezichtstelling voor de resterende duur is namelijk al verlopen. 

Namens de moeder is verzocht om een rechtmatigheidstoets met verwijzing naar artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op eerbiediging van het gezinsleven is vastgelegd. Ter toelichting heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling op 3 maart 2026 te kennen gegeven dat zij belang heeft bij deze rechtmatigheidstoets omdat zij het niet eens is met de overweging van de kinderrechter dat er geen ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen meer is. Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling door de kinderrechter is afgewezen, is het contact tussen de moeder en de kinderen steeds slechter geworden, hetgeen volgens de moeder een inmenging betekent in het gezinsleven van de moeder en de kinderen. Het hof volgt de moeder hierin niet. De afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de kinderen betekent, anders dan een toewijzing van een dergelijk verzoek, geen inmenging in het gezag van de moeder of het gezinsleven van de moeder en de kinderen. De omstandigheid dat het contact tussen de moeder en de kinderen wellicht slechter is geworden na de bestreden beslissing is geen rechtstreeks aan die beslissing toe te schrijven gevolg en rechtvaardigt niet een rechtmatigheidstoets.

 

Cursussen binnenkort:

4

Scheidingscongres 2026

04-12-2026
Lees verder
 

Wrakingsverzoek te laat ingediend

Nr: 26042 Rechtbank Midden-Nederland, 27-03-2026 ECLI:NL:RBMNE:2026:1299 Jurisprudentie Geschilbeslechting Procesrecht 36 Rv

Rechtsvraag

Tot wanneer kan een wrakingsverzoek worden ingediend?

Overweging

De verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend nadat de rechter de eindbeslissing heeft genomen.  Een wrakingsverzoek kan worden ingediend totdat de behandelend rechter einduitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Na een einduitspraak eindigt de procedure namelijk en is er dus geen “behandelend rechter” meer zoals wordt bedoeld in artikel 36 Rv. De verzoeker is daarom niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

Lees verder
 

Redelijkheid en billijkheid

Nr: 26037 Hoge Raad der Nederlanden, 27-03-2026 ECLI:NL:HR:2026:501 Jurisprudentie Rechtsontwikkeling Huwelijksvermogensrecht 6:2 BW; 6:248 BW: 3:12 BW

Rechtsvraag

Is de aanspraak op een onderbedelingsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar nadat door verloop van tijd de woning een overwaarde heeft in plaats van een onderwaarde?

Overweging

De rechtbank heeft in 2015 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de woning aan de man wordt toebedeeld. Op dat moment had de woning een onderwaarde. Omdat de man niet de middelen had om de vrouw uit de hypothecaire aansprakelijkheid te ontslaan en de vrouw geen middelen had om de onderbedelingsvordering aan de man te betalen, hebben partijen de levering van de woning aan de man uitgesteld. In 2020 is de woning alsnog aan de man geleverd. Op dat moment had de woning een overwaarde. De man spreekt de vrouw aan om hem alsnog de onderbedelingsvordering te betalen. De vrouw heeft in hoger beroep gesteld dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft bepaald dat de man nog aanspraak maakt op de onderbedelingsvordering, omdat de datum van verdeling in 2015 ligt, ondanks dat pas in 2020 is geleverd. In cassatie klaagt de vrouw dat het hof voorbij is gegaan aan haar stelling dat dit naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht gegrond is. 

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof aan een grief van de man voorbij is gegaan. 

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar een ander hof. 

Lees verder
 

Pakistaans huwelijk niet erkend

Nr: 26038 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026 ECLI:NL:GHARL:2026:1602 Jurisprudentie Rechtseenheid Echtscheiding
IPR
10:32 sub e BW

Rechtsvraag

Is het in Pakistan gesloten huwelijk onverenigbaar met de openbare orde?

Overweging

Het hof beoordeelt ambtshalve of het huwelijk kan worden erkend in Nederland. Het hof oordeelt dat dit niet het geval is, omdat sprake is van een gedwongen huwelijk. Het hof oordeelt dat daarom het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk is, en komt niet aan de beoordeling van de nevenverzoeken toe. 

Voor zover partijen in de basisregistratie personen als gehuwd geregistreerd staan, berust dat aldus op een fout en dient dat te worden gecorrigeerd.

Lees verder